90% mentaal

Yankees honkbal legende Yogi Berra speelde 19 seizoenen in de Major League Baseball in de Verenigde Staten, won 10 keer de World Series, maar dankt zijn roem daarnaast aan zijn kleurrijke uitspraken (“Yogisms”). Eén van zijn filosofische uitspraken is: “Honkbal is voor 90% mentaal en de andere helft is fysiek.” Los van de ludieke, Cruijffiaanse (on)logica, Berra wilde hiermee zeggen dat prestaties in honkbal in zeer sterke mate door mentale factoren worden bepaald.

Yogi Berra is niet de enige die er zo over dacht. De Australier Glenn McGrath, bijvoorbeeld, één van de beste cricketwerpers (“bowlers”) ooit, meende dat “… ability is a 10 to 20 per cent requirement, you need 80 to 90 percent mental strength.” De Nederlander Maurice Henssen volbracht in 2015 de Ultra-Trail du Mont-Blanc, een hardloopwedstrijd voor amateurs over een afstand van 101 kilometer, waarbij een hoogteverschil van ongeveer 6150 meter omhoog en omlaag in de Alpen moet worden overwonnen. Toen hij de race in bijna 24 uur had volbracht, verklaarde hij: “Dit was echt twintig procent fysiek en tachtig procent mentaal.”

Dit is natuurlijk klinkklare onzin.

Immers, zonder kunde zijn mentale vaardigheden irrelevant. Stel dat er een wereldkampioen “Mental Fitness” zou bestaan (een soort Rafael Nadal), dan zou hij never nooit in staat zijn om ooit de World Series te halen, te excelleren als cricketspeler, of een ultra-trail te volbrengen zonder sportspecifieke fysieke, technische en tactische vaardigheden.

Sport is dus eerder 90% kunde. Als sporters hun prestaties willen verbeteren, dan ligt het meer voor de hand om te werken aan de verbetering van hun fysieke, technische en tactische vaardigheden dan aan de mentale vaardigheden. Golfers met pakweg handicap 18, bijvoorbeeld, lukt het om vanaf 120 meter de bal, pak ‘m beet, 30 van de 100 keer op de green stil te leggen. Een misser vanaf 120 meter is statistisch gezien voor hen dus een normale uitkomst. Echter, wanneer zo’n bal op een spannend moment in de wedstrijd wordt gemist, dan denkt men al snel dat het “tussen de oren” niet goed zit. Maar de kans op een misser is sowieso 70%! Pas als in de loop van de tijd blijkt dat onder spannende omstandigheden nog maar 10% van dit soort ballen wordt gemaakt, dan zou er sprake kunnen zijn van een mentaal probleem (maar een technisch probleem is ook dan niet uitgesloten). Hoe dan ook, een niet-geoefende golfer bakt er sowieso weinig of niets van; de stelling dat sport 90% mentaal is, is op zijn minst inaccuraat.

Of toch niet?

Een illustratieve uitspraak in dit verband is van Steve Waugh, een andere voormalig Australische cricketspeler: “Cricket is a game that obviously requires talent, but when talent is equal, as it so often is, the formula for success comes from strength of mind.”

Inderdaad, als een willekeurige amateur tegen een professional speelt, dan wint normaal gesproken de professional vanwege een surplus aan fysieke, technische, taktische, en mentale vaardigheden. Echter, wedstrijden op ieder niveau worden vaak gespeeld tussen min of meer gelijkwaardige tegenstanders. In zo’n situatie geven vaak mentale factoren de doorslag vanwege hun sensitieve karakter. Je kunt namelijk niet van het ene op het andere moment je techniek, tactisch inzicht of spierkracht verliezen, maar je kunt wel van het ene op het andere moment door toenemende druk of veranderende omstandigheden je concentratie, zelfvertrouwen, of wil om te winnen verliezen. Hierbij moet worden aangetekend dat door mentale factoren, fysieke, technische, en tactische factoren aan kwaliteit kunnen inboeten. Het lijkt dan alsof een sporter fysiek onderuit gaat, terwijl de oorzaak mentaal is. Door de ervaren druk kan een atleet slappe benen krijgen, of een stramme arm, of overgevoelig worden voor fysieke pijntjes, wat weer kan leiden tot suboptimale technische uitvoeringen van handelingen en acties. Daarbij kan spanning leiden tot foute inschattingen en verkeerde tactische keuzes.

Anders gezegd, mentale factoren bepalen of je op het moment suprême het maximale uit jouw fysieke, technische, en tactische mogelijkheden weet te halen. Daarbij zijn mentale factoren bepalend voor het ontwikkelen van fysieke, technische, en taktische vaardigheden, ofwel voor het realiseren van prestatie-winst. Immers, om een betere sporter te worden, moet je bereid zijn om hard te werken en te kunnen afzien, volhardend en mentaal weerbaar zijn, een hoge frustratie-tolerantie hebben en veerkracht tonen. Zonder mentale vaardigheden geen kunde.

Is sport dan toch 90% mentaal?

Neen, het is een niet te beantwoorden vraag omdat lichaam en geest een onlosmakelijk geheel vormen. Onze mentale conditie beïnvloedt ons fysiek functioneren, en andersom. Desondanks is “Sport is 90% mentaal” een goede stelling omdat ‘ie discussie uitlokt en uitnodigt tot nadenken over de rol van mentale factoren in de sport. Duidelijk is dat mentale factoren een grote rol spelen bij het voorkomen van prestatie-verlies en het realiseren van prestatie-winst. Hoe groot die rol is, verschilt per sport, per persoon, per situatie en per moment.

Ben overigens benieuwd of Yogi Berra, conform zijn dualistische stelling, 90% van zijn tijd besteedde aan mentale training en de andere helft aan het trainen van fysieke, technische, en tactische aspecten ….

 

Verder lezen?

De vergissing van Descartes: Gevoel, verstand en het menselijk brein – Antonio R. Damasio

 

Video over René Descartes (1596-1650) en het Dualisme: