Genen

Rienksen en Florijnen 

Fysiek heeft ze wel wat van haar ouders meegekregen, denkt Karolien Florijn, Europees kampioen 2022 in de skiff“Ik heb wel een bepaalde lichaamsbouw die redelijk gunstig is.” De 24-jarige skiffeuse is de dochter van Ronald Florijn die samen met Nico Rienks olympisch kampioen werd met de Holland Acht (Atlanta 1996) en in de dubbeltwee (Seoul 1988). Beide zonen van Nico Rienks, Ralf en Rik, behaalden zilver op het EK 2022 in de vier zonder. De broer van Karolien, Finn Florijn, maakte daar deel uit van de dubbel-vier. Hun moeder Antje Rehaag werd voor Duitsland wereldkampioen in de acht in 1994. Hebben de Florijnen en Rienksen het talent van hun ouders geërfd? Hoe onderzoek je het effect van genen op het fenotype, ofwel het totaal van alle waarneembare eigenschappen of kenmerken van een persoon?

De fysieke en psychologische kenmerken van roeier Karolien Florijn zijn in belangrijke mate bepaald door de genen van haar ouders, eveneens begenadigde roeiers. Maar dat is niet het enige“Ze is vooral waanzinnig fanatiek. Dat geldt evenzeer voor haar trainingsethos als het aantal bananen dat ze verorbert. Meer dan zeventig per week, een moyenne van zo’n tien per dag. ‘Ik probeer er alles aan te doen dat iets lukt. Ik ben daar extreem in.’ Misschien is dat wel veel belangrijker dan haar genen.”

Echter, ook aan haar fanatisme, trainingsethos en discipline zit wellicht een erfelijke component. Maar door diverse omgevingsfactoren kan ze deze eigenschappen ook hebben aangeleerd en ontwikkeld. Hoe kan worden bepaald of eigenschappen en kenmerken aangeboren (nature) of aangeleerd (nurture) zijn?

Er zijn grofweg twee manieren om het effect van genen op het fenotype te onderzoeken: 

  1. Het bestuderen van (eeneiige) tweelingen en families waarbij nagegaan wordt in hoeverre variaties in fenotype kunnen worden verklaard door variaties in genotype, ofwel de verzameling eigenschappen die is geërfd van de ouders. 
  2. Het onderzoeken van de invloed van genetische variatie op DNA niveau op variaties in fenotype.

In beide gevallen gaat het om schattingen. Hoe preciezer een eigenschap kan worden omschreven en gemeten, des te nauwkeuriger kan de genetische component worden vastgesteld. Zo laat onderzoek zien dat intelligentie en kenmerken als extraversie en emotionele stabiliteit voor ongeveer 50% genetisch worden bepaald. Schattingen omtrent (nog) complexere constructen als creativiteit en mentale weerbaarheid zijn een stuk minder betrouwbaar.

Hoe dan ook, kenmerken van de persoon zijn in alle gevallen het product van diverse genen, diverse omgevingsfactoren en hun interactie, wat als geheel een complex, niet volledig in kaart te brengen systeem vormt . De eeneiige tweeling Michel en Ronald Mulder, bijvoorbeeld, reed in 2006 bij het NK langebaan schaatsen tegen elkaar en kwam in exact dezelfde tijd over de finish. Logisch, zou je kunnen redeneren, in hun geval is er geen sprake van genetische variatie; de broers hebben exact dezelfde verzameling genen van hun ouders geërfd. Daar staat tegenover dat ze samen – min of meer onafscheidelijk – zijn opgegroeid waardoor ze zijn blootgesteld aan dezelfde omgevingsfactoren (ouderstrainersfaciliteiten, etc.). Dit gemeenschappelijk verleden heeft ongetwijfeld ook veel invloed gehad op hun ontwikkeling en prestatieniveau. Inderdaad, het ontkennen van óf genen óf omgevingsfactoren als bouwstenen van het fenotype getuigt van weinig realiteitszin. Beide zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en medebepalend voor wie we zijn en ons gedrag, inclusief sportprestaties.

Voor ons dagelijks functioneren is een wetenschappelijk onderbouwde conclusie dat kenmerken als intelligentie, creativiteit, of algemene zelf-effectiviteit voor ongeveer de helft genetisch is bepaald niet zo heel relevant. Immers, een ongeveer even groot deel wordt blijkbaar door omgevingsfactoren verklaard. Belangrijker is daarom wat je zelf gelooft. Is jouw (fixed) mindset, of overtuiging, dat assertiviteit, mentale kracht en empathie vooral erfelijk zijn bepaald (nature), dan ga je geen tijd en energie stoppen in het ontwikkelen en verbeteren van die eigenschappen. 

Heb je daarentegen een growth mindset, dat wil zeggen, geloof je dat je door training en inspanning assertiever, mentaal sterker en empathischer kunt worden (nurture), dan ga je er wellicht ook aan werken waardoor je met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook vorderingen zult gaan maken. Hoe ver je daarmee komt, en hoe snel dat proces verloopt, is dan wel weer afhankelijk van je genetisch bepaalde aanleg om goed te reageren op stimuli, trainingen en mogelijkheden die door de omgeving worden aangereikt. Vaak zijn talenten als Karolien Florijn zo goed omdat ze aangeboren high responders zijn. Maar voor haar ontwikkeling is het gunstig als ze gelooft dat meer dan haar genen, haar fanatisme en extreme trainingsethos bepalend zijn voor haar succes. Immers, zo’n overtuiging geeft haar meer controle over haar succesfactoren. In tegenstelling tot haar genen, kan ze haar inzet, houding en discipline beïnvloeden en (nog) verder ontwikkelen.

Maar aannemelijk is dat genen uiteindelijk de (fysieke) grenzen bepalen van de ontwikkelingsmogelijkheden.

Zo begon Dan McLaughlin als 30-jarige met golf nadat hij ontslag had genomen als beroepsfotograaf. Zijn doel was om golfprofessional te worden. Zonder noemenswaardige golfervaring reikte hij na vier jaar tot handicap 2.6 waarmee hij goed mee kon komen met de beste amateurs. Na een jaar of zes liep hij tegen zijn fysieke grens aan; hij moest toen stoppen vanwege wervelschade aan z’n rug. 

De moraal van Dan McLaughlin’s verhaal is dat niet de genen, maar de mindset bepalend is voor hoe je denkt, voelt en doet en dat je zonder specifieke genetische aanleg een heel eind kan komen met “deliberate practice”, ofwel onder deskundige begeleiding hard, doelgericht en persistent werken aan prestatieverbetering. 

Verder lezen?

Focus, vertrouwen, veerkracht, en andere mentale aspecten van sport en presteren – Van Yperen (2021)

Genetics and motor performance – Ben-Zaken (2020)

The sports gene – Epstein (2013)

The complexity of greatness: Beyond talent or practice – Kaufman (2013)

Innate talent in sport: Separating myth from reality – Baker & Wattie (2018)

Innate talent in sport: Beware of an organismic asymmetry – Davids & Araújo (2019)

Innate talent is adaptable – Romann (2019)

Innate talent in sport: From theoretical concept to complex reality – Rommers & Rössler (2019)

Genetics for trainers: Decoding the sports genes – Arnaud Ferec (2014)

Self‐efficacy is mainly genetic, not learned: A multiple‐rater twin study on the causal structure of general self‐efficacy in young people – Waaktaar & Torgersen (2013)

Mindsets: A view from two eras – Dweck & Yeager (2019)

Video’s:

The Dan Plan

What Happened to The Dan Plan?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.