Winnen

Op de Wereldkampioenschappen 2017 in Boedapest zwom Ranomi Kromowidjojo een hele goede 100 meter vrije slag. Haar tijd van 52.78 lag heel dicht bij haar vijf jaar oude persoonlijk record (52.75 in 2012). Desondanks leverde deze geweldige tijd “slechts” een vijfde plaats op, waardoor ze zich hardop afvroeg: “Wanneer ben je nou tevreden? Als je goud wint of als je je beste race zwemt? In Londen haalde ik goud, terwijl ik niet mijn beste race zwom, maar daar was ik toch blij met 53.0. Nu zwom ik een heel goede race, 52.78, maar het is balen dat ik naast het erepodium sta.”

“Topsport gaat vooral, of alleen maar, over winnen” hoor je topsporters, coaches, bestuurders, journalisten en vele anderen vaak zeggen. En dat is ook zo. Per definitie is een competitive situatie een zogenaamde “zero sum game”: jouw belang staat recht tegenover dat van je tegenstander(s). Dat wil zeggen, als jij wint, verliest je tegenstander, en andersom. Het antwoord op de vraag van Ranomi lijkt dus eenduidig: zeker als topsporter ben je alleen maar tevreden als je wint, als je goud haalt.

Echter, een competitieve situatie is niet hetzelfde als prestatiemotivatie. Prestatiemotivatie betreft de motivatie om een bepaalde standaard te bereiken. Deze standaard (of criterium of doel) kan gebaseerd zijn op de prestaties van anderen (“winnen” of “niet verliezen), maar ook op de eigen prestaties in het verleden (“vooruit gaan”) of op een absoluut criterium (zoals “een bepaalde slagfrequentie realiseren”). Derhalve kunnen drie typen doelen worden onderscheiden:

  1. Gezien de aard van een competitieve situatie (“zero sum game”) is een uitkomst- of resultaatdoel vooral voor topsporters vaak de belangrijkste drijfveer. Het is een onmisbare bron van energie en inspiratie omdat dit doel betrekking heeft op het grote plaatje: “Waarom” doe je aan topsport? Per definitie streeft een topsporter naar het allerhoogste, zoals wereld- of olympisch kampioen worden. Maar een uitkomst- of resultaatdoel kan ook zijn: je kwalificeren voor een toernooi, een top 10 positie bereiken, of niet-degraderen (sport is dus niet altijd een “zero sum game”!). Groot nadeel van dit type doelen is dat je slechts zeer beperkte controle hebt over het behalen ervan. Je kunt dus eigenlijk beter spreken van een droom of wens. Zoals een surfer hoopt op een zonnetje en windkracht 6, hoop je als atleet dat je prestatie goed genoeg is voor de overwinning. Net als Ranomi kun je namelijk je allerbeste race ooit hebben gezwommen, maar toch verliezen omdat anderen, waarop je geen of nauwelijks invloed hebt, het nòg beter hebben gedaan.

Baal je dan? Natuurlijk! Atleten zijn enorm teleurgesteld als ze niet winnen. En dat is niet alleen bij atleten het geval. In het algemeen hebben vergelijkingen met anderen een sterke invloed op ons gemoed. Zoals ik in een eerder blog al heb beschreven, dit effect heet TOESCI: The Overpowering Effect of Social Comparison. Mensen zijn vooral tevreden als ze het beter hebben gedaan dan anderen, en ontevreden als ze het slechter hebben gedaan dan anderen, vooral wanneer het gaat om iets (op het gebied van sport, werk, onderwijs, kunst, cultuur, etc.) dat belangrijk voor hen is.

Echter, de hamvraag is of je als topsporter slecht hebt gepresteerd als je niet hebt gewonnen. De “buitenwereld” (journalisten, publiek) vindt vaak van wel. Immers, je bent topsporter, en sport wordt vaak gezien als een activiteit met uitsluitend winnaars en verliezers. Vanuit dat perspectief hebben winnaars het goed, en verliezers het slecht gedaan.

Reken je je als (top)sporter, net als de buitenwereld pleegt te doen, ook uitsluitend af op het eindresultaat? Vanuit mentaal oogpunt is een exclusieve “zero sum motivatie” niet aanbevelingswaardig. De belangrijkste reden is – zoals gezegd – de sterke invloed van je tegenstanders op het eindresultaat. En topsporters als Ranomi hebben te maken met tegenstanders die net als zij exceptioneel getalenteerd zijn en eveneens olympisch of wereldkampioen zijn, zijn geweest, of binnenkort worden. Net als Ranomi verliezen daarom de meeste topsporters vaker dan ze winnen, vooral in individuele sporten als wielrennen, hardlopen, golf, schaatsen en tennis. Als “winnen” dan je enige doel is, dan kan dat snel leiden tot structurele frustratie, verdriet, faalangst, wanhoop en burnout. Om duurzaam te kunnen (top)sporten, is het derhalve de moeite waard om te leren effectief om te gaan met “niet winnen”, zonder de motivationele kracht van “het willen winnen” te ondermijnen.

Inderdaad, de functie van uitkomst- en resultaatdoelen, of dromen en wensen, is vooral inspireren, energetiseren en richting geven. Ze geven de kracht en motivatie om op de juiste momenten net iets extra te doen, zoals trainen bij slecht weer, pijn weerstaan tijdens de wedstrijd, of alles wat je in je hebt eruit persen in een eindsprint. Maar voor je plezier, zelfvertrouwen en ontwikkeling op de langere termijn is het verstandiger om je te richten op de bouwstenen van uitkomst- of resultaatdoelen, namelijk prestatie- en procesdoelen. Deze componenten van prestatiemotivatie zijn preciese, inhoudelijke doelen waarover je zelf controle hebt.

  1. Een prestatiedoel heeft betrekking op “wat” je concreet wilt bereiken, aan welke zelf-gerelateerde standaard je wilt voldoen. “Zelf-gerelateerd” betekent dat je het doel zo onafhankelijk mogelijk van prestaties van anderen formuleert zodat je maximale controle hebt over de uitkomst. Een verspringer, bijvoorbeeld, stelt zich als doel om verder dan 8 meter te springen, een golfer wil op geen enkele green meer dan twee putts maken, een tennisser wil 80% van z’n tweede serves met een kick naar buiten spelen, etc. Ranomi’s prestatiedoel voor het WK in Boedapest was haar beste race ooit te zwemmen, voor haar op dat moment het maximaal haalbare. Dat heeft ze (weliswaar op .03 seconden na) gedaan. Als mentaal sterke sporter rekent ze zichzelf daar dan uiteindelijk op af, en daarom was ze ook heel erg tevreden met haar topprestatie, vanzelfsprekend nadat de teleurstelling van de nederlaag enigszins was weggeëbd.

Prestatiedoelen zijn dus de bouwstenen van een uitkomst- of resultaatdoel. Ranomi, bijvoorbeeld, verwachtte vantevoren terecht dat ze met een PR (haar prestatiedoel) wel op het podium zou komen (haar resultaatdoel), wat helaas dus anders uitpakte. Daarbij had ze in samenspraak met haar trainers vantevoren gespecificeerd hoe ze haar prestatiedoel zou gaan realiseren, namelijk via procesdoelen.

  1. Een procesdoel heeft betrekking op “hoe” je je prestatiedoel wilt gaan realiseren. Procesdoelen betreffen de training en voorbereiding (zoals trainingschema’s en voeding) en de wedstrijd zelf (zoals race-indeling, technische uitvoering en wedstrijdmentaliteit). Ranomi’s tevredenheid over de race was gebaseerd op haar eindtijd (haar prestatiedoel), maar ook op hoe die tot stand was gekomen, namelijk door een voorbeeldige wedstrijdinstelling, geweldige start, goede slaglengte en -frequentie, uitstekend keerpunt, snelle eindsprint, en scherpe finish (haar procesdoelen).

Deze procescomponenten zijn overigens vaak de reden dat het (nipt) verliezen van een wedstrijd altijd enigszins knaagt, ook al heb je je beste tijd ooit gezwommen, gelopen of gefietst. Je hebt namelijk bijna altijd het gevoel dat je ergens iets hebt laten liggen (start/keerpunt sneller, te snel/te langzaam weg, etc.), maar dat geldt ook voor de tegenstanders, inclusief de winnaar! In het bijzonder voor topsporters is het de kunst om dit te zien als een nieuwe bron van inspiratie om de eigen prestatie- en procesdoelen weer bij te stellen om zodoende bij de volgende gelegenheid de kans te vergroten op datgene wat je het liefst doet: Winnen.

 

Verder lezen?

The effect if multiple-goal strategies on performance outcomes in training and competition -Filby et al. (1999)

 

Sanne Wevers over winnen, en over hoe je werkt aan de bouwstenen van een uitkomst- of resultaatdoel, in haar geval winnen op de Olympische Spelen in Tokyo, 2020.

2 gedachten over “Winnen”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.