
“Wat mij fascineert, is het idee dat je kunt sturen hoe je denkt, en daarmee kunt sturen wie je wordt. Zeker als jong persoon — ik ben 22 — heb ik het gevoel dat ik mezelf letterlijk kan vormen tot wie ik wil zijn”, aldus meervoudig Olympisch kampioen Eileen Gu tijdens een persconferentie op de Olympische Winterspelen van 2026 in Milaan en Cortina d’Ampezzo. Maar klopt dat eigenlijk? Kun je jezelf werkelijk vormen tot wie je wilt zijn? En speelt leeftijd daarbij een rol?
Vaak hoor je dat mensen ‘op zoek zijn naar zichzelf’. Persoonlijke ontwikkeling wordt dan gezien als een zoektocht naar een veronderstelde, relatief stabiele kern van de eigen persoonlijkheid, en het ontdekken van wat daarbij past.
Dat is duidelijk niet de benadering van Eileen Gu, de meest succesvolle freestyleskiër ooit op de Olympische Spelen. Zij is niet op zoek naar zichzelf; zij vormt zichzelf tot wie ze wil zijn. Volgens de in de Verenigde Staten opgegroeide, maar voor China uitkomende topsporter kan ze zichzelf ontwikkelen in de richting die zij wil door haar denken en gedrag bewust te sturen.
Dat klinkt inspirerend. Maar hoe werkt dat in de praktijk?
Op de betreffende persconferentie gaf ze daar zelf een inkijkje in: “…. Ik ben erg introspectief; ik breng veel tijd door in mijn eigen hoofd. Maar dat is geen slechte plek om te zijn. Ik schrijf veel in mijn dagboek en ontleed mijn denkprocessen. Ik probeer met een analytische blik naar mijn eigen gedachten te kijken, bijna alsof ik ze bestudeer. Daarna stel ik ze bij, verfijn ik ze en geef ik ze opnieuw vorm. Elke dag krijg ik de kans om iemand te worden die mijn achtjarige zelf zou bewonderen. Eerlijk gezegd zou zij helemaal weg zijn van wie ik nu ben. Ze zou trots zijn. En voor mij is dat misschien wel de grootste prestatie die er is: dat je jongere zelf trots zou zijn op wie je bent geworden. Dus ja, ik denk veel na. Maar het is niet egocentrisch. Het voelt meer als sleutelen in een laboratorium. Ik benader mijn brein zoals een wetenschapper een experiment benadert. Ik vraag mezelf voortdurend af: hoe kan ik beter worden? Hoe kan ik optimaliseren? Hoe kan ik mijn hersenen benaderen zoals ik mijn freeskiën benader, zodat ik morgen beter ben dan vandaag?”
Psychologisch onderzoek laat inderdaad zien dat cognitieve patronen systematisch kunnen worden getraind en aangepast. Zo kan bijvoorbeeld cognitief-emotieve training aantoonbare veranderingen teweegbrengen in emotieregulatie en disfunctionele denkpatronen. Ook andere technieken, zoals zelfspraak (self-talk), visualisatie en aandachtstraining, kunnen gedrag en prestaties sturen. Sporters leren bijvoorbeeld negatieve gedachten (“Ik ga falen”) om te buigen naar taakgerichte instructies (“Focus op de volgende bal, bocht of beweging”).
Het biologische fundament van deze veranderbaarheid is neuroplasticiteit: het vermogen van onze hersenen om zich, zowel structureel als functioneel, aan te passen aan ervaringen, training en herhaling. Meta-analyses van neuro-imagingstudies laten zien dat het aanleren van vaardigheden en herhaalde training gepaard gaan met meetbare veranderingen in de grijze stof, zowel in corticale als in subcorticale hersengebieden.
De effecten van training en ervaring zijn dus niet alleen subjectief, maar ook biologisch aantoonbaar. Wie systematisch denkt en handelt in lijn met een gekozen identiteit, vergroot de kans dat die identiteit neurologisch verankerd raakt. Tegelijkertijd laten studies zien dat de grootte van deze veranderingen afhankelijk is van factoren zoals de intensiteit en duur van de training, evenals individuele verschillen tussen mensen.
MRI-onderzoek laat verder zien dat de hersenschors zich tijdens de ontwikkeling naar volwassenheid verder verfijnt. De dikte en het volume nemen geleidelijk af, terwijl het oppervlak minder verandert. Deze veranderingen weerspiegelen waarschijnlijk rijpingsprocessen in de hersenen, zoals het verwijderen van minder gebruikte verbindingen tussen zenuwcellen en het versterken van belangrijke zenuwbanen.
Omdat hersennetwerken in de jeugd en adolescentie nog volop worden georganiseerd en verfijnd, wordt deze levensfase vaak gezien als een gevoelige periode voor leren en ontwikkeling. De hersenen zijn in deze fase bijzonder plastisch: ervaringen en training kunnen relatief sterke en blijvende veranderingen in hersennetwerken teweegbrengen. Dit betekent niet dat ontwikkeling later stopt, maar wel dat ervaringen en training op jonge leeftijd vaak een relatief grote invloed hebben op hoe het brein zich organiseert.
Eileen Gu heeft dus een punt: tot op zekere hoogte kun je jezelf vormen tot wie je wilt zijn. Vanuit ontwikkelingsperspectief blijkt jongvolwassenheid een periode waarin de hersenen zich nog verder verfijnen. De prefrontale cortex — essentieel voor executieve functies en zelfregulatie — ontwikkelt zich namelijk door tot ongeveer halverwege de twintig. Tegelijkertijd worden de verbindingen tussen hersengebieden steeds sterker en efficiënter. De ‘bedrading’ van het brein verbetert als het ware, waardoor informatie sneller en betrouwbaarder kan worden uitgewisseld. Deze ontwikkeling sluit goed aan bij het idee dat de weg naar expertise vaak begint met een fase van brede verkenning, gevolgd door een periode van verdere verfijning en specialisatie.
Neuropsychologisch onderzoek laat ook grenzen zien. Genetische aanleg, vroege ontwikkelingsomstandigheden, sociaaleconomische context en stress beïnvloeden de mate van neuroplasticiteit. Mensen zijn dus niet onbeperkt maakbaar; verandering wordt mede begrensd door aanleg en leefomstandigheden.
Er zijn derhalve verschillende perspectieven op de ontwikkeling van ‘het zelf’.
In navolging van gedragswetenschappers als Aaron Beck, Albert Ellis en Carol Dweck, legt Eileen Gu de nadruk op de invloed die je als persoon zelf kunt uitoefenen. Volgens dit perspectief kunnen mensen zichzelf in zekere mate vormen door hun overtuigingen, doelen en gewoonten. Door ons denken en gedrag bewust te sturen, kunnen we ons ontwikkelen in een bepaalde richting.
Het sociaal-constructivistische perspectief stelt daarentegen dat identiteit ontstaat in interactie met anderen. Mensen leren zichzelf te bekijken vanuit het perspectief van anderen en internaliseren gaandeweg hun verwachtingen. Deze visie vindt haar oorsprong in het werk van de sociologen George Herbert Mead en Charles Cooley, grondleggers van het symbolisch interactionisme.
Het zelfontdekkingsperspectief gaat ten slotte uit van het idee dat er een relatief stabiele kern bestaat van wie iemand is, mede bepaald door genetische aanleg en aangeboren temperament. Deze benadering wordt vaak geassocieerd met persoonlijkheidspsychologen als Gordon Allport en de omstreden Hans Eysenck. Vanuit dit perspectief betekent persoonlijke ontwikkeling vooral ontdekken wat bij je past: je talenten, waarden en verlangens.
De meeste hedendaagse opvattingen combineren elementen van deze drie perspectieven. Het uitgangspunt is dat ‘het zelf’ deels persoonlijk kan worden gevormd (door doelen, keuzes en training), deels sociaal wordt gevormd (door interactie, cultuur en rollen), maar ook gedeeltelijk gegeven is en moet worden ontdekt (talenten en temperament). Identiteit is daarmee niet alleen iets wat je ontdekt, maar ook iets wat je zelf én in interactie met anderen vormt.
Zoals Eileen Gu laat zien is in de dagelijkse (sport)praktijk vooral bepalend wat je zelf gelooft. Zie je je identiteit, je talent en je toekomst als een vaststaand, genetisch bepaald gegeven? Word je vooral gevormd door je sociale omgeving, door wat anderen van je verwachten en door de kansen die je krijgt? Of geloof je, net als Eileen Gu, dat je zelf invloed hebt op wat je kunt bereiken?
Marit Bouwmeester, de meest succesvolle zeilster aller tijden, stond als nuchtere Fries aanvankelijk sceptisch tegenover mentale technieken en het idee dat je jezelf mentaal kunt vormen tot wie je wilt worden. Maar naarmate ze meer ervaring kreeg met gedachtencontrole en andere mentale vaardigheden, begon ze steeds beter te begrijpen hoe krachtig mindset kan zijn. Uiteindelijk raakte zij er, net als Eileen Gu, van overtuigd dat je in belangrijke mate wordt wat je denkt.
In ons boek ‘Winnen met je hoofd’ (p.53) beschrijft Marit hoe dat er in de praktijk voor haar uitziet: “Ik train niet alleen mijn fysiek; ik versterk ook mijn gedachten en overtuigingen. Zeilen is een sport waarin je voortdurend beslissingen moet nemen, vaak op basis van intuïtie of onderbewuste reflexen. Dan moet dat onderbewuste dus wel goed getraind zijn. Want als je gewend bent om negatief te denken zodra er iets misgaat, dan gebeurt dat ook op de Olympische Spelen. Daarom werd het voor mij essentieel om mijn onderbewuste continu te voeden met de juiste prikkels: met positief gedrag, constructieve gedachten en bewust gekozen informatie. Dat beperkte zich niet tot de trainingen. Het zat ook in de boeken die ik las, de films of series die ik keek tijdens een evenement en de gesprekken die ik voerde. Ik geloof dat je eerst een periode van bewuste training nodig hebt om je gedachten en emoties actief te leren sturen in de richting die jij wilt. Pas dan bouw je een nieuwe automatische piloot: je intuïtie waarop je terugvalt onder spanning, druk of tegenslag.”
Winnen doe je uiteindelijk met je (neuroplastische) hoofd!
Verder lezen?
Human functional neuroimaging of brain changes associated with practice – Kelly & Garavan (2005)
The development of brain white matter microstructure – Lebel & Deoni (2018)
Functional neural plasticity after compassion-based interventions: A scoping review of longitudinal neuroimaging studies – Mekelburg et al. (2025)
Neural correlates of psychotherapy in mental disorders: A meta-analysis of longitudinal resting-state fMRI studies – Zheng et al. (2025)
Video:
Eileen Gu tijdens een persconferentie op de Olympische Winterspelen van 2026 in Milaan en Cortina d’Ampezzo
